Wat is de deelnemingsvrijstelling?

De deelnemingsvrijstelling is een belastingvrijstelling die is bedoeld voor vennootschappen die deel uitmaken van een concern. Het is de belangrijkste en meest gebruikte vrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De vrijstelling is neergelegd in artikel 13 van deze wet. De achterliggende gedachte is dat winst slechts één keer wordt belast. De moedermaatschappij krijgt dan ook een vrijstelling voor de winst. Aan de toepassing van deze deelnemingsvrijstelling zijn echter wel bepaalde eisen verbonden. Wanneer is de deelnemingsvrijstelling van toepassing?


Allereerst moet er sprake zijn van een aandeelhouderschap. Daarbij gaat het erom dat de aandeelhouder de economische eigendom bezit. Deze aandelen moeten tenminste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vormen.

Daarnaast is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing in het geval van een beleggingsdeelneming. Wanneer een deelneming een beleggingsdeelneming is, is afhankelijk van de omstandigheden. Een deelneming wordt als belegging aangehouden indien deze wordt aangehouden met het oog op verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Van belang bij deze oogmerktoets zijn de aard van de activiteiten van de moeder en haar (klein)dochters, de omvang van de participatie, de verhandelbaarheid van de aandelen en de financieringswijze van de participatie.

Uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor het geval er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming. In dat geval kan toch een beroep op de deelnemingsvrijstelling worden gedaan.

Wanneer is sprake van een kwalificerende beleggingsdeelneming?
In twee gevallen is er sprake van een kwalificerende beleggingsdeelneming. Zo kan er sprake zijn van een reële heffing bij de deelneming. Dat wil zeggen dat de winst ten minste tegen 10% in de belastingheffing wordt betrokken. Men noemt dit ook wel de reële heffingentoets. In dat geval is geen sprake van het onderbrengen van mobiel kapitaal in een laag belast land. Het gaat daarbij om de vraag of er sprake is van een effectieve heffing van tenminste 10%.

Wanneer niet aan deze reële heffingentoets wordt voldaan kan er ook nog sprake zijn van een kwalificerende beleggingsdeelneming wanneer aan de zogenaamde bezittingentoets wordt voldaan. De bezittingen van deelneming mogen middellijk of onmiddellijk voor minder dan de helft bestaan uit laag belaste vrije beleggingen.

Conclusie
In beginsel is de deelnemingsvrijstelling dus van toepassing indien er sprake is van een aandeelhouderschap waarbij de aandeelhouder tenminste 5% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal bezit en de economische eigendom in handen heeft. Daarnaast mag er geen sprake zijn van een beleggingsdeelneming. Deze regel bestaat om misbruik van de deelnemingsvrijstelling te voorkomen. Een uitzondering wordt daarbij gemaakt voor de kwalificerende beleggingsdeelneming. In het geval van een kwalificerende beleggingsdeelneming mag de deelnemingsvrijstelling wel worden toegepast. Er is bij een kwalificeren beleggingsdeelneming immers geen sprake van misbruik.

Heeft u recht op toepassing van de deelnemingsvrijstelling? Laat het beoordelen middels een fiscaal advies door Taksgemak.

Lees ook:



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *